Header image  

Reis door een land van
ijs en vuur

 
  Home Praktische info  
   
 

IJsland

Samenvattend verslag van een reis van negen weken naar een land waarvan de schepping nog niet is voltooid.

 

Op 16 juni 2007 varen we met de Smyril Line van Denemarken naar IJsland. De tussenstop van 2 dagen op de Faroer maakt de overtocht interessant. Onze tijd op de Faroer gebruiken we om wat van deze eilanden te zien. De aardige hoofdstad Torshavn, leuke dorpjes met Deense invloeden en een prachtige natuur. Allemaal groene bergen in de oceaan. We kamperen pal aan de oceaan. Een schitterend uitzicht maar wel fris bij zo'n 10 graden en een harde wind.

IJsland belooft goed te worden. De zee is kalm en op donderdag 21 juni om 9.00 uur naderen we de zonovergoten kust van IJsland. Vanaf zee te zien veel bergen met sneeuw en fjorden. Het schip legt aan in Seydisfjordur en na een snelle passage van de douane (een bus met Slowaken moet helemaal leeg) rijden we in een prachtig woest landschap naar Egilsstadir, onze eerste bestemming. Het weer blijft goed en we zitten al snel in de 'hotpot', een wat grote badkuip in de openlucht met warm water.

Na enige verkenning van de omgeving met onder andere de geologisch zeer interessante waterval Hengifoss vertrekken we naar het Myvatn meer. Het weer laat ons helaas in de steek. We passeren een hoogvlakte waar het 2 graden is en stormt. Na een zandstorm en een stuk onverharde weg zien auto en caravan er niet meer uit. Ook in de caravan blijkt een zandstorm te hebben gewoed. Op de eenvoudige onbeschutte IJslandse camping bij Myvatn  is het wel afzien, maar de volgende dag is het prachtig helder weer en loopt de temperatuur op tot wel 16 graden. De omgeving van Myvatn overtreft onze verwachtingen. We zien solfatarenvelden met heksenketels en borrellende poelen, kraters, nog warme lava in alle soorten en vormen, tafelbergen en de ‘blue lagoon van het noorden’, waar we een paar uur heerlijk onthaasten. Het weer slaat om, maar we blijven genieten ook bij 4 graden en harde wind.

We rijden verder naar Husavik aan de noordkust, waar we eerst de auto en caravan, die er weer niet uitzien, op een wasplaats schoonspuiten. We blijven daar een dag en tijdens een wandeling vinden we in de heuvels bij de oceaan een onooglijk complexje met een groot bad met heet water. Er is helemaal niemand en wij nemen de tijd voor een heerlijk warm bad met uitzicht op de oceaan. Verder bezoeken we een museum dat enig in zijn soort is. Het is een fallus museum met de organen van alle land- en zeezoogdieren van IJsland. We weten dat walvissen groot zijn maar hier blijkt dat echt. Alleen het orgaan van homo sapiens ontbreekt, maar daarin zal wel worden voorzien want er zijn al vier donatieformulieren ingezonden. Als we vernemen dat vanuit Husavik een goede weg naar het NP Asbyrgi voert besluiten we daarheen te gaan. Het is een park waar zichtbaar is wat watervloeden na vulkaanuitbarstingen onder een gletsjer kunnen doen. Kilometers lange 100 m hoge basaltmuren, diepe kloven en fantastische rotsformaties zijn het resultaat.

Akureiry biedt de mogelijkheid om het IJslandse stadsleven wat te leren kennen en de proviandvoorraad aan te vullen. De verdere route gaat voorlopig niet langs supermarkten. Het goed bereikbare culturele centrum Holar is in mist gehuld, zodat we wel de gebouwen maar niet de achtergrond zien. Het schiereiland Vatnsnes heeft een onverharde kustweg van 100 km, die ook met een normale auto te berijden is. We zien er vele zeehonden en een wel erg bijzondere rotsformatie, de Havítserkur.

Als we na een paar dagen mistig weer in een wolk een hoogvlakte passeren en het jammer vinden dat we zo weinig uitzicht hebben rijden we de zon tegemoet en breekt een week van mooi zonnig weer aan. Volgens de IJslanders ongekend. De temperatuur varieert ’s middags van 15 tot 18 graden en met veel zon is dat uit de wind al gauw aangenaam. We besluiten de Westfjorden te laten voor wat ze zijn en het schiereiland Snaefellsnes op te rijden. Daar krijgen we geen spijt van. De natuur is er van vulkanische oorsprong en overweldigend. De kop van het schiereiland wordt gevormd door een vulkaan van 1450 m hoogte met daarop een gletsjer. Een wonderlijk gezicht zo bijna geheel omgeven door de oceaan. De enige dissonant vormen chauffeurs van grote trucks met onafgedekte opleggers vol stenen en gruis, die je met een snelheid van 80 km op een 4 m brede onverharde weg passeren. Een praatje op een politiebureau levert op dat dit nu eenmaal IJsland is, niet zeuren dus. De auto en caravan houden het tot nu toe goed, al hebben we wel een band aan flarden gereden.

In Akranes besluiten we een dagje te relaxen voor we koers zetten naar Reykjavik. Voor we naar Reykjavik gaan willen we de hoogste waterval van IJsland zien. Dat wordt helaas een desillusie. Veel moeite en weinig waterval. Hij valt namelijk het grootste gedeelte van zijn 195 m onzichtbaar in een kloof. We houden er wel een schitterende (wilde) kampeerplaats aan over.

Reykjavik heeft alles wat je van een grote stad mag verwachten en we blijven er een paar dagen waarin we ons inzicht in de cultuur van het land vergroten. Daarna trekt de natuur weer en staat het schiereiland Reykjanes op het programma. Daar ligt ook de veel geprezen Blue Lagoon, een meertje in een lavaveld waar een kuuroord met allure van is gemaakt. Ook wij liggen in het  water tussen de toeristen, die hun gezicht hebben ingesmeerd met witte silica dat op de bodem van het meertje is afgezet. We vinden het allemaal een beetje decadent, maar het water is wel lekker warm. Tijdens een wandeling over een berg kunnen we op de Blue Lagoon kijken. We zien een stomende geothermische centrale, waar het hete zeewater uit de vulkanische bodem wordt gebruikt om zuiverder water te verhitten voor de stadsverwarming van Reykjavik. Het daardoor minder heet geworden zeewater wordt over lavavelden gevloeid om het weer terug te laten zakken in de bodem. Een zo’n vijver levert als bonus voor de centrale de toeristische trekpleister op die, met veel gevoel voor public relations, Blue Lagoon wordt genoemd. Reykjanes heeft meer te bieden en wij genieten van vogelrotsen, lavavelden en solfatarenvelden, ondanks de noordse sterns, die je in hun broedgebied voortdurend aanvallen.

We rijden naar de omgeving van de Hengill, een krater die nog lang niet is afgekoeld. We bezoeken er een geothermische centrale, die geen CO² uitstoot. Al wandelend op de hellingen van de Hengill komen we een beek met warm water tegen. Als de temperatuur op een diepere plaats aangenaam is gaat de zwemkleding aan en laten we ons door het stromende water verwennen.

We blijven een paar dagen in Thingvellir, een dal op de grens tussen de continenten Noord-Amerika en Eurazië. Hier vergaderde het IJslandse parlement al in het jaar 930, toen de rest van Europa nog feodaal was. Een werelderfgoed dat ook door de UNESCO is erkend. Natuurlijk zien we de bekende Strokkur (vroeger Geysir) zijn water spuiten en de Gullfoss waterval. In het desolate binnenland liggen we midden in een woest gebied in een zwembad dat op temperatuur wordt gehouden door een hete bron. Buiten de hoofdwegen moeten we, om interessante plaatsen te bereiken, wel veel over slechte wegen rijden, voor zover dat natuurlijk mogelijk is met een normale auto. Aan de oever van het Laugarvatn is een loodsje op een hete bron gebouwd, waardoor een stoombad mogelijk is. Ook dat gaan we niet ongebruikt voorbij. Al zijn we beslist niet ontevreden over het weer, nu en dan wat opwarmen kan geen kwaad.

Bij het plaatsje Vik, op het zuidelijkste punt van IJsland, zien we veel papegaaiduikers en begint het gebied waar de natuurverschijnselen het meest extreem zijn te noemen. De vulkaan Katla bij Vik, die statistisch gezien op uitbarsten staat, houdt zich rustig zodat wij onze reis kunnen vervolgen. Tenminste als de zandstormwaarschuwing buiten Vik geen knipperlicht geeft. Dat blijkt het geval. We zien wel een hek, waarmee de weg kan worden afgesloten als de Katla gevaarlijk wordt. Men is dus op alles voorbereid.

In de verte doemt de grootste gletsjer van Europa al op. Deze Vatnajökull gletsjer heeft een oppervlakte van ruim 8000 km² en een dikte tot wel 900 m. Een rekensommetje leert dat het ijs van de gletsjer heel Nederland met een laag ijs van 75 meter kan bedekken. De lavavelden worden uitgestrekter en dicht bij de gletsjer ligt ’s werelds grootste spoelzandvlakte. Een oppervlakte van 1000 km² veroorzaakt door het enorme geweld van watervloeden na een vulkaanuitbarsting onder de gletsjer. In 1996 werd daardoor de kilometer lange brug in de ringweg, waarvan een stuk staal nog als herinnering dient, totaal verwoest.

Het NP Skaftafell, vlak onder de gletsjer, is een groene oase met aangename temperaturen door zijn afgeschermde ligging. We genieten er van een paar dagen zonnig weer en mooie wandelingen, onder andere naar de Swartifoss waterval. De volgende bestemming heeft een heel ander karakter. Het is een gletsjermeer met ijsbergen. Die breken af van een 20 km brede uitloper van de gletsjer en drijven zo’n jaar in het 150 m diepe meer tot ze zo klein zijn geworden dat ze de ondiepe verbinding naar de oceaan kunnen passeren en de daar aanwezige brug in de rondweg niet wordt geraakt. We arriveren er met weinig uitzicht en blijven een dag om beter weer af te wachten hetgeen wordt beloond.

De weg onder langs de gletsjer is meer dan 150 km lang en eindigt in Höfn waar de invloed van de gletsjer merkbaar is aan lage temperaturen. De koffiejuffrouw in een havencafeetje bevestigt desgevraagd dat ze nog nooit in bikini naar het strand is geweest. Het weer blijft grillig als we de oostfjorden volgen. De wind neemt toe en de caravan heeft moeite ons te volgen als we met windkracht 7 over een hoogvlakte rijden.

We komen op 15 augustus in Egilsstadir aan, waar het nog maar 25 km is naar de boot. Het betere weer dan we hadden verwacht heeft gezorgd dat we op onze planning zijn ingelopen en nog een paar dagen kunnen genieten van de fascinerende natuur in de omgeving van het Myvatn-meer. Op 23 augustus schepen we in voor onze terugreis van een fantastisch verblijf in een land in wording.

naar boven